Inspectiebeleid

BSO Le Papillon (BSO)
Pastoor Schoenmakersstr. 5
6657CB Boven-Leeuwen
Registratienummer 472725890

Het onderzoek

Onderzoeksopzet
Dit onderzoek is uitgevoerd op grond van artikel 1.62 lid 2 van de Wet kinderopvang. Het betreft een onaangekondigd jaarlijks onderzoek.

De buitenschoolse opvang (BSO) Le Papillon heeft een verkorte inspectie gehad. Niet alle wettelijke voorwaarden zijn beoordeeld. In ieder geval de wettelijk vastgestelde te toetsen voorwaarden zijn beoordeeld.

Het onderzoek heeft zich gericht op:

  • Het pedagogisch beleid
  • De pedagogische praktijk
  • Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang
  • Opleidingseisen (inclusief diploma pedagogisch beleidsmedewerker)
  • Aantal beroepskrachten (beroepskracht-kindratio en drie uurs regeling)
  • Stabiliteit voor de opvang van kinderen (opvang in groepen)
  • Het veiligheids- en gezondheidsbeleid
  • Veiligheid en gezondheid in de praktijk
  • Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.

Beschouwing

Korte omschrijving van de buitenschoolse opvang (BSO) le Papillon
BSO Le Papillon is een organisatie die een BSO heeft in de gemeente West Maas en Waal en een BSO in Druten. Deze BSO is gevestigd in het Kulturhus d’n Dulperd te Boven Leeuwen. De BSO bestaat uit één groep van maximaal 18 kinderen in de leeftijd van 4 t/m 13 jaar.

Inspectiegeschiedenis
In de afgelopen drie inspectiejaren heeft de BSO niet altijd voldaan aan de onderzochte wettelijke voorwaarden.

Conclusie onderzoek
In dit jaarlijks onderzoek is geconstateerd dat de houder niet aan een aantal voorwaarden voldoet. De houder heeft hiervoor een herstelaanbod gekregen. Er wordt na herstelaanbod voldaan aan de onderzochte voorwaarden. Er zijn aandachtspunten geconstateerd ter verbetering van de kwaliteit.

Herstelaanbod
Tijdens het onderzoek is een herstelaanbod gedaan voor voorschriften die niet nageleefd werden. Dit betreft de volgende domeinen: Personeel en groepen, Veiligheid en gezondheid.

In het rapport wordt dit verder toegelicht onder het betreffende domein.

Advies aan College van B&W
Geen handhaving.

Observaties en bevindingen

Pedagogisch klimaat

Pedagogisch beleid
Pedagogisch beleidsplan
De houder heeft een pedagogisch beleid waarin de organisatiebrede beleidszaken beschreven zijn. Daarnaast is er per opvanglocatie een specifiek pedagogisch werkplan dat toegeschreven is op die locatie.

Aandachtspunt
Zorg dat er één beleidsplan en werkplan komt. Op de website staat een pedagogisch beleidsplan en werkplan van 2014. Op locatie ligt een pedagogisch plan en werkplan van 2018.

Pedagogische praktijk

Inleiding
De pedagogische praktijk is beoordeeld door middel van observatie en interview beroepskrachten. Voor de observatie is gebruik gemaakt van het Veldinstrument observatie pedagogische praktijk van GGD GHOR Nederland.

Er is twee keer geobserveerd op: allebei de keren op een maandagmiddag gedurende de gehele onderzoeken. Er is beoordeeld of de houder in voldoende mate zorg draagt voor het waarborgen van de pedagogische aspecten van verantwoorde dagopvang (de pedagogische basisdoelen). Voor de beschrijving van de deze aspecten zie het overzicht van de inspectie-items in het laatste hoofdstuk. Er volgen nu enkele voorbeelden die zijn gezien tijdens de observaties.

Waarborgen emotionele veiligheid
Gedurende de observaties is de emotionele veiligheid voldoende gewaarborgd.
-welbevinden

Observatie:
Tijdens de observatie is te zien dat het welbevinden van de kinderen redelijk tot goed is. De kinderen spelen buiten met plastic paardjes en hebben veel plezier met deze paardjes en met elkaar. De beroepskracht zit op een bankje en kijkt toe. Zij geeft aan: ‘Als de kinderen hulp nodig hebben dan komen ze wel naar mij toe. Het is hun spel en ik vind het belangrijk om mij daarin niet te mengen’.

Spelenderwijs uitdagen tot ontwikkeling van persoonlijke vaardigheden
Gedurende de observaties is de ontwikkeling van persoonlijke competentie voldoende gewaarborgd.
-uitdaging

Observatie:
Tijdens het onderzoek vertelt de beroepskracht dat de computer het sinds een poosje niet meer doet en dat zij dit wel mist voor de oudere kinderen. Tijdens het bezoek is het gemis van een computer niet gezien omdat alle kinderen buiten aan het spelen waren. De toezichthouder heeft dit punt met de houder besproken. De houder geeft aan dat de beroepskracht en kinderen meer gebruikt kunnen maken van de gymzaal van school. Tijdens het bezoek van het herstelaanbod is gezien dat de computer het weer doet en dat de kinderen spelen in de gymzaal. De jongens voetballen met een zachte bal en de meisjes willen een spel met de stagiaire doen.

Kennis laten maken met waarden en normen in de samenleving
Tijdens de observaties is de overdracht van normen en waarden voldoende gewaarborgd
-grenzen en afspraken

Observatie:
De beroepskracht legt de kinderen uit waarom afspraken en regels belangrijk zijn. Zo is tijdens de observatie te zien dat de beroepskracht tegen de kinderen buiten zegt dat ze mogen voetballen maar dat de bal laag gespeeld moet worden. De beroepskracht moet dit wel een paar keer herhalen voordat de kinderen dit ook daadwerkelijk doen.

Conclusie
Er wordt voldaan aan de onderzochte voorwaarden van Pedagogisch klimaat.

Gebruikte bronnen:

  • Interview houder en/of locatieverantwoordelijke (per telefoon en per mail tussen 1 april en 6mei 2019)
  • Interview (beroepskrachten)
  • Observatie(s) (buiten en binnen)
  • Landelijk Register Kinderopvang (april 2019)
  • Website (april en mei 2019)
  • Pedagogisch beleidsplan (op de website en op locatie)
  • Pedagogisch werkplan (op de website en op locatie)

Personeel en groepen

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang
De verklaring omtrent het gedrag is beoordeeld in een steekproef: het betreft de houder, de 3 bestuurders, (ook beoordeeld in een nader onderzoek) de 3 mogelijk aanwezige beroepskrachten, de aanwezige stagiaire en de taxi chauffeurs.

Houder geeft aan gestopt te zijn met taxi vervoer, een beroepskracht rijdt de kinderen naar de andere locatie voor voorschoolseopvang (VSO). Bij het herstelaanbod op 6 mei 2019 geeft de beroepskracht aan dat bij de VSO onlangs 1 keer gebruik is gemaakt van een taxi. Dit omdat er meer dan 6 kinderen voor de VSO waren en deze passen dan niet meer in de auto van de beroepskracht.

Inschrijving in personenregister kinderopvang
De bovenstaande personen zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) en ingeschreven in het personenregister kinderopvang.

Houder vertelt dat de stagiaire bij het begin van de stage geen VOG had en dat de stagiaire daarom niet met de stage mocht beginnen. Zij heeft de stagiaire pas gekoppeld nadat zij een juiste VOG had en geregistreerd was.

Er zijn momenteel geen andere personen structureel werkzaam op de locatie tijdens opvanguren.

Aandachtspunt
Als structureel de taxi wordt gebruikt moeten de taxi chauffeurs een VOG hebben en geregistreerd en gekoppeld worden.

Tijdige koppeling met houder
De houder en alle hierboven genoemde personen zijn gekoppeld aan de houder in het personenregister kinderopvang. De nieuwe stagiaire is pas gestart na koppeling door de houder in het personenregister.

Opleidingseisen en eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiaires

Passende opleiding beroepskrachten
De aanwezige beroepskrachten beschikken over een passende opleiding volgens de meest recente cao Kinderopvang en cao Sociaal Werk. De houder heeft nog geen werknemer aangesteld in de functie van pedagogisch beleidsmedewerker. De houder oriënteert zich nog op wie de vereiste taken van pedagogisch beleidsmedewerker uit kunnen voeren in de loop van 2019.

De passende opleiding voor pedagogisch beleidsmedewerker is daarom nog niet beoordeeld in het jaaronderzoek 2019. De aan te stellen pedagogisch beleidsmedewerker dient bij aanstelling te beschikken over een afgeronde opleiding of scholing volgens de meest recente cao Kinderopvang en valt niet onder de overgangsregeling.

Aantal beroepskrachten

Beroepskracht-kindratio
Steekproefsgewijs is de beroepskracht-kindratio (de verhouding tussen het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen in de basisgroep, afgekort BKR) getoetst. De steekproef betreft de dag van de onaangekondigde inspectie op 1 april 2019 en de voorgaande dagen.

Tijdens de onaangekondigde inspectie was de beroepskracht alleen met 12 kinderen in de leeftijd van 4-12 jaar. De beroepskracht vertelt dat er een extra kind aanwezig is dat even komt wennen. Het even wennen duurt wat langer dan gedacht en zij geeft aan dat een andere beroepskracht er aan komt. Na enige tijd komt deze beroepskracht.

Deze voorwaarde voldoet niet omdat er langer dan een half uur werd afgeweken. Er werd niet voldaan aan de BKR m.b.t afwijkende inzet op schooldagen.

Op locatie is verder gezien dat in de voorgaande dagen van het onderzoek de houder van deze BSO voldoende beroepskrachten heeft ingezet voor het aantal kinderen dat wordt opgevangen.

Herstelaanbod
De houder heeft op 8 april 2019 een herstelaanbod gekregen met een hersteltermijn tot 29 april 2019 voor de volgende tekortkoming: de houder heeft niet voldaan aan de BKR m.b.t afwijkende inzet op schooldagen. In afwijking van het tweede lid kunnen voor en na de dagelijkse schooltijd alsmede gedurende vrije middagen van de basisschool voor ten hoogste een half uur per dag minder beroepskrachten worden ingezet, met dien verstande dat ten minste de helft van het aantal beroepskrachten wordt ingezet.

Op 6 mei 2019 is er weer een onderzoek gedaan op locatie.
Gedurende het onderzoek waren er 2 beroepskrachten en 11 kinderen in de leeftijd van 4-12 jaar aanwezig. De dagen voor het onderzoek op maandag 6 mei 2019 waren er als volgt kinderen en beroepskracht aanwezig: donderdag 16 kinderen en 2 beroepskrachten, dinsdag 9 kinderen en 1 beroepskracht. Er is nu voldaan aan de voorwaarde van het herstelaanbod.

Afwijkende inzet beroepskrachten (drie uurs regeling)
Tijdelijke afwijking van de beroepskracht-kindratio is niet van toepassing omdat op deze BSO de openingstijden korter dan 10 uur zijn.

Calamiteitenregeling bij inzet van één beroepskracht (telefonische achterwacht).
De telefonisch achterwacht is de andere BSO of de houder zelf.

Aanwezigheid tweede volwassene bij afwijkende inzet van één beroepskracht.
Er is tijdens de openingstijden van de BSO iemand anders in het Kulturhus aanwezig.

Aandachtspunt
Zorg dat de achterwacht geregeld wordt bij de VSO als er afgeweken wordt van de beroepskracht- kindratio.

Uit bovenstaande constatering(en) / bevindingen blijkt dat aan de volgende voorwaarde na herstelaanbod, is voldaan:

De houder van een kindercentrum zet voldoende beroepskrachten in voor het aantal kinderen dat wordt opgevangen, met dien verstande dat:
– de verhouding tussen het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen in een basisgroep wordt bepaald op grond van tabel 2 in bijlage 1, onderdeel b, bij het besluit kwaliteit kinderopvang en de daarbij behorende rekenregels;
– Indien kinderen bij een activiteit zoals beschreven in het pedagogisch beleidsplan de basisgroep verlaten, leidt dit niet tot een verlaging van het totaalaantal minimaal op of, indien de activiteit buiten het kindercentrum plaatsvindt, vanuit het kindercentrum in te zetten beroepskrachten, ten opzichte van de situatie direct voorafgaand aan de activiteit. (art 1.49 lid 1 en 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 16 lid 1, 2 en 3 Besluit kwaliteit kinderopvang)

Stabiliteit van de opvang voor kinderen

Opvang in basisgroepen
Volgens het pedagogisch beleid is de indeling in basisgroep op deze BSO is als volgt: 1 groep met max 18 kinderen in de leeftijd van 4-12 jaar. De groep is open op maandag-, dinsdag- en donderdagmiddag. En sinds kort is er een pilot voor de VSO op de dinsdagochtend.

Schriftelijke toestemming voor opvang in tweede basisgroep
Houder en beroepskrachten geven aan dat op dit moment geen kinderen gebruik maken van de opvang op de andere locatie. Voor de vakantieopvang werkt de houder met een apart contract. Dan worden alle BSO kinderen opgevangen op de andere locatie in Druten.

Conclusie
Er wordt voldaan aan de onderzochte voorwaarden van Personeel en groepen.

Gebruikte bronnen:

  • Interview (beroepskrachten)
  • Observatie(s) (buiten en binnen)
  • Personen Register Kinderopvang
  • Toestemmingsformulier(en)
  • Diploma(s)/kwalificatie(s) beroepskrachten
  • Overzicht ingeschreven kinderen (april en mei 2019)
  • (Praktijk)leerovereenkomst
  • Presentielijsten (1 april en 6 mei 2019)
  • Personeelsrooster (1 april en 6 mei 2019)
  • Pedagogisch beleidsplan (op de website en op locatie)

Veiligheid en gezondheid

Veiligheids- en gezondheidsbeleid

Veiligheid en gezondheid in de praktijk
Er zijn geen onaanvaardbare veiligheids- of gezondheidsrisico’s waargenomen in de praktijk.

Handelen conform het veiligheids- en gezondheidsbeleid
Er zijn huisregels, werkafspraken en maatregelen voor de veiligheid en gezondheid waargenomen in de praktijk. Bijvoorbeeld de kinderen mogen buiten met de voetbal laag voetballen en in de gymzaal voetballen met een zachte voetbal.

Aanwezigheid volwassene met kwalificatie kinder-EHBO
In de steekproef was gedurende de opvang altijd ten minste één volwassene aanwezig die gekwalificeerd is voor het verlenen van eerste hulp aan kinderen.

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

Inhoud Meldcode
De houder heeft voor het personeel een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling vastgesteld.

De meldcode bevat de volgende elementen:
– een stappenplan, inhoudende een omschrijving van de stappen voor het omgaan door het personeel met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling;
– een afwegingskader op basis waarvan het personeel het risico op en de aard en de ernst van het huiselijk geweld of de kindermishandeling weegt en dat het personeel in staat stelt te beoordelen of sprake is van dusdanig ernstig huiselijk geweld of ernstige kindermishandeling, dan wel van een vermoeden daarvan, dat een melding is aangewezen;
– indien van toepassing, specifieke aandacht voor bijzondere vormen van geweld, die speciale kennis en vaardigheden van personeel vereisen;
– specifieke aandacht voor de wijze waarop het personeel omgaat met gegevens waarvan zij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden.

Het stappenplan bevat ten minste de volgende stappen:
a. het in kaart brengen van de signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling;
b. collegiale consultatie en zo nodig raadplegen van het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis) of een deskundige op het gebied van letselduiding;
c. een gesprek met de ouders en, indien mogelijk, het kind;
d. het toepassen van het afwegingskader, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b;
e. het beslissen over het doen van een melding en over het inzetten van de noodzakelijke hulp.

In de meldcode is opgenomen hoe de houder en medewerkers dienen te handelen indien hen bekend is geworden dat een medewerker of voor de houder werkzaam persoon dan wel de houder zelf zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan een zedenmisdrijf of kindermishandeling (jegens een kind op de opvang).

Kennis en gebruik van de Meldcode
Tijdens het onderzoek blijkt dat een beroepskracht nog niet op de hoogte is van de nieuwe Meldcode. De houder geeft aan dat de nieuwe Meldcode wel al naar de locatie is verstuurd, maar dat deze nog niet met de beroepskrachten is besproken

Herstelaanbod
De houder heeft op 8 april 2019 een herstelaanbod gekregen met een hersteltermijn tot 29 april 2019 voor de volgende tekortkoming: De houder van een kindercentrum bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

Op 6 mei 2019 is er weer een onderzoek gedaan op locatie. Toen is de nieuwe Meldcode gezien op locatie en de aanwezige beroepskrachten vertellen wat zij moeten doen bij een signaal.

Conclusie
Er wordt voldaan aan de onderzochte voorwaarden van Veiligheid en gezondheid.

Uit bovenstaande constatering(en) / bevindingen blijkt dat aan de volgende voorwaarde na herstelaanbod, is voldaan:

De houder van een kindercentrum bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode. (art 1.51a lid 4 Wet kinderopvang)

Gebruikte bronnen:

  • Interview houder en/of locatieverantwoordelijke (per telefoon en per mail tussen 1 april en 6mei 2019)
  • Interview (beroepskrachten)
  • Observatie(s) (buiten en binnen)
  • EHBO certificaten
  •  Website (april en mei 2019)
  • Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
  • Presentielijsten (1 april en 6 mei 2019)
  • Personeelsrooster (1 april en 6 mei 2019)
  • Pedagogisch beleidsplan (op de website en op locatie)
  • Pedagogisch werkplan (op de website en op locatie)

Overzicht getoetste inspectie-items

Pedagogisch klimaat

Pedagogisch beleid

Het kindercentrum beschikt over een pedagogisch beleidsplan. De houder van een kindercentrum draagt er zorg voor dat in de buitenschoolse opvang conform het pedagogisch beleidsplan wordt gehandeld.
(art 1.49 lid 1 en 2, 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 1 Besluit kwaliteit kinderopvang)

Pedagogische praktijk

In het kader van het bieden van verantwoorde buitenschoolse opvang, draagt de houder van een kindercentrum er in ieder geval zorg voor dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden:
a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen;
b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving;
c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden;
d. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij.
(art 1.49 lid 1 en 2 en 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 11 Besluit kwaliteit kinderopvang)

Personeel en groepen

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang

In het bezit van een verklaring omtrent het gedrag zijn:
a. de houder of voorgenomen houder van een kindercentrum;
b. de personen die op basis van een arbeidsovereenkomst met de houder of met een uitzendorganisatie tijdens opvanguren werkzaam zijn dan wel zullen zijn op de locatie van een onderneming waarmee de houder een kindercentrum exploiteert en waar kinderen worden opgevangen;
c. de personen die op basis van een andere overeenkomst met de houder structureel tijdens opvanguren werkzaam zijn of zullen zijn op de locatie waarmee de houder exploiteert en waar kinderen worden opgevangen;
d. de personen die uit hoofde van hun functie toegang hebben of zullen hebben tot informatie over de kinderen die worden opgevangen;
e. de personen van 18 jaar en ouder die op het woonadres waar een kindercentrum is gevestigd hun hoofdverblijf hebben of zullen hebben dan wel die structureel tijdens opvanguren aanwezig zijn of zullen zijn op het kindercentrum, gevestigd op een woonadres.

Voor zover het natuurlijke personen betreft is eenieder als bedoeld in de onderdelen a tot en met e ingeschreven in het personenregister kinderopvang.
(art 1.50 lid 3 Wet kinderopvang)

De houder van een kindercentrum draagt zorg voor koppeling met de in artikel 1.50 derde lid van de wet genoemde personen inclusief hemzelf.
(art 1.48d lid 3 Wet kinderopvang)

Na inschrijving van een persoon als bedoeld in artikel 1.50 derde lid van de wet in het personenregister kinderopvang en na koppeling met de houder van een kindercentrum kan de persoon zijn werkzaamheden aanvangen.
(art 1.50 lid 4 Wet kinderopvang)

Opleidingseisen en eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiaires

Beroepskrachten beschikken over een passende opleiding zoals opgenomen in de meest recent aangevangen cao Kinderopvang en cao Sociaal Werk.
Een beroepskracht meertalige buitenschoolse opvang beschikt daarbij over een bewijsstuk waaruit blijkt dat hij de Duitse, Engelse of Franse taal voor de deelvaardigheden gesprekken voeren, lezen, luisteren en spreken beheerst op ten minste niveau B2 van het Europees Referentiekader (ERK) voor talen.

(art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 15 lid 1 en 2 Besluit kwaliteit kinderopvang; art 9a lid 1 en 2 Regeling Wet kinderopvang)

Aantal beroepskrachten

De houder van een kindercentrum zet voldoende beroepskrachten in voor het aantal kinderen dat wordt opgevangen, met dien verstande dat:
– de verhouding tussen het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen in een basisgroep wordt bepaald op grond van tabel 2 in bijlage 1, onderdeel b, bij het besluit kwaliteit kinderopvang en de daarbij behorende rekenregels;
– Indien kinderen bij een activiteit zoals beschreven in het pedagogisch beleidsplan de basisgroep verlaten, leidt dit niet tot een verlaging van het totaalaantal minimaal op of, indien de activiteit buiten het kindercentrum plaatsvindt, vanuit het kindercentrum in te zetten beroepskrachten, ten opzichte van de situatie direct voorafgaand aan de activiteit.

(art 1.49 lid 1 en 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 16 lid 1, 2 en 3 Besluit kwaliteit kinderopvang)

Stabiliteit van de opvang voor kinderen

Bij buitenschoolse opvang vindt de opvang plaats in basisgroepen. Een kind wordt opgevangen in één basisgroep. De maximale grootte van de basisgroep wordt bepaald op grond van tabel 2 in bijlage 1, onderdeel b van het Besluit kwaliteit kinderopvang.
(art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 18 lid 1, 2, 3 en 4 Besluit kwaliteit kinderopvang)

Veiligheid en gezondheid

Veiligheids- en gezondheidsbeleid

De houder van een kindercentrum heeft voor elk kindercentrum een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder draagt er zorg voor dat er in de buitenschoolse opvang conform het veiligheids- en gezondheidsbeleid wordt gehandeld.

(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 1 Besluit kwaliteit kinderopvang)

De houder van een kindercentrum draagt er zorg voor dat er gedurende de buitenschoolse opvang te allen tijde ten minste één volwassene aanwezig is die gekwalificeerd is voor het verlenen van eerste hulp aan kinderen conform de in de Regeling Wet kinderopvang aan deze kwalificatie gestelde nadere regels.

(art 1.49 lid 1 en art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 13 lid 4 Besluit kwaliteit kinderopvang; art 9b Regeling Wet kinderopvang)

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

De houder van een kindercentrum bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode. (art 1.51a lid 4 Wet kinderopvang)

De houder van een kindercentrum stelt voor het personeel een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden. De door de houder voor het personeel vast te stellen meldcode bevat ten minste de volgende elementen:

a. een stappenplan, inhoudende een omschrijving van de stappen voor het omgaan door het personeel met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling;
b. een afwegingskader op basis waarvan het personeel het risico op en de aard en de ernst van het huiselijk geweld of de kindermishandeling weegt en dat het personeel in staat stelt te beoordelen of sprake is van dusdanig ernstig huiselijk geweld of ernstige kindermishandeling, dan wel van een vermoeden daarvan, dat een melding is aangewezen;
c. een toebedeling van verantwoordelijkheden aan de diverse personeelsleden bij de stappen van het stappenplan, inclusief vermelding van de functie van degene die eindverantwoordelijk is voor de beslissing over het al dan niet doen van een melding;
d. indien van toepassing, specifieke aandacht voor bijzondere vormen van geweld, die speciale kennis en vaardigheden van personeel vereisen;
e. specifieke aandacht voor de wijze waarop het personeel omgaat met gegevens waarvan zij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden.
(art 1.51a lid 1, 2, 3 en 5 Wet kinderopvang; art 14 lid 1 Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het door de houder van een kindercentrum in de meldcode vastgestelde stappenplan bevat ten minste de volgende stappen:
a. het in kaart brengen van de signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling;
b. collegiale consultatie en zo nodig raadplegen van het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis) of een deskundige op het gebied van letselduiding;
c. een gesprek met de ouders en, indien mogelijk, het kind;
d. het toepassen van het afwegingskader, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b; e. het beslissen over:

– het doen van een melding, en
– het inzetten van de noodzakelijke hulp.
(art 1.51a lid 1, 2, 3 en 5 Wet kinderopvang; art 14 lid 1 onder a en 2 Besluit kwaliteit kinderopvang)

Gegevens voorziening

Opvanggegevens
Naam voorziening                                                      : BSO Le Papillon
Website                                                                        : www.kinderopvanglepapillon.nl
Aantal kindplaatsen                                                   : 18

Gegevens houder
Naam houder                                                               : Kinderopvan Le Papillon
Adres houder                                                               : Ekelen 3
Postcode en plaats                                                     : 6652DA Druten
Website                                                                        : www.kinderopvanglepapillon.nl
KvK nummer                                                               : 11044911
Aansluiting geschillencommissie                            : Ja

Gegevens toezicht

Gegevens toezichthouder (GGD)
Naam GGD                                                                  : GGD Gelderland-Zuid
Adres:                                                                           : Postbus 1120
Postcode en plaats                                                    : 6501BC Nijmegen
Telefoonnummer                                                       : 088 – 144 71 44
Onderzoek uitgevoerd door                                     : G. op de Haar

Gegevens opdrachtgever (gemeente)
Naam gemeente                                                         : West Maas en Waal
Adres                                                                            : Postbus 1
Postcode en plaats                                                     : 6658ZG BENEDEN-LEEUWEN

Planning
Datum inspectie                                                       : 01-04-2019
Opstellen concept inspectierapport                     : 21-05-2019
Zienswijze houder                                                    : Niet van toepassing
Vaststelling inspectierapport                                  : 31-05-2019
Verzenden inspectierapport naar houder            : 28-05-2019
Verzenden inspectierapport naar gemeente      : 31-05-2019
Openbaar maken inspectierapport                       : 14-06-2019

Bijlage: Zienswijze houder kindercentrum

De zienswijze betreft een reactie van de houder op de inhoud van het inspectierapport.

De houder heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een zienswijze in te dienen.

 

Definitief inspectierapport buitenschoolse opvang jaarlijks onderzoek 01-04-2019 BSO Le Papillon te Boven-Leeuwen

 

Kleinschalig

Kleinschalige opvang betekent veel persoonlijke aandacht!

Met leeftijdsgenootjes

Onze groepen worden ingedeeld op leeftijd.

Professioneel

Onze begeleiders zijn allen gecertificeerd voor BSO.

Scherp geprijsd

Wij bieden de beste uurtarieven uit de regio!